Iedere raad voor maatschappelijk welzijn moet een deontologische code hebben. Ook de oprichting van een deontologische commissie is een verplichting geworden. De commissie kijkt toe op de naleving en de handhaving van de code.
Het decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017, artikel 39 en 77
Het besluit van de raad voor maatschappelijk welzijn van 28 oktober 2025 houdende oprichting van een deontologische commissie
Een deontologische code is één van de instrumenten om te werken aan de integriteit van de bestuursorganen van een lokaal bestuur. Integriteit gaat er in de kern om dat het lokaal bestuur zich op zo’n manier organiseert dat haar mandatarissen tot beslissingen komen die zowel zuiver als zorgvuldig zijn.
Een deontologische code wil mandatarissen te beschermen, door helderheid te bieden op bepaalde wettelijke vereisten bij een zuivere uitvoering van het ambt. En door gedeelde fatsoensnormen voor de raad en het uitvoerend orgaan uit te schrijven, zodat men samen het goed bestuur in de eigen gemeente kan bevorderen en het vertrouwen in het politieke apparaat van lokaal bestuur kan versterken. De code heeft dus expliciet als doel een positieve bijdrage te leveren aan de integriteit en de kwaliteit van het lokaal bestuur.
Ook de mandataris is feilbaar en kan per ongeluk of tegen beter weten in, in de fout gaan.
Het doel van een deontologische code is in principe tweeledig:
De deontologische code en het huishoudelijk reglement van de deontologische commissie zijn gebaseerd op de inspiratie-deontologische code voor lokale mandatarissen van de VVSG van 8 januari 2025.
Artikel 1 - De raad voor maatschappelijk welzijn keurt de deontologische code voor lokale mandatarissen als volgt goed:
DEONTOLOGISCHE CODE VOOR LOKALE MANDATARISSEN
DEEL I - Inleiding
Een deontologische code is één van de instrumenten om te werken aan de integriteit van de bestuursorganen van een lokaal bestuur. Integriteit gaat er in de kern om dat het lokaal bestuur zich op zo’n manier organiseert dat haar mandatarissen tot beslissingen komen die zowel zuiver als zorgvuldig zijn.
Een deontologische code wil mandatarissen te beschermen, door helderheid te bieden op bepaalde wettelijke vereisten bij een zuivere uitvoering van het ambt. En door gedeelde fatsoensnormen voor de raad en het uitvoerend orgaan uit te schrijven, zodat men samen het goed bestuur in de eigen gemeente kan bevorderen en het vertrouwen in het politieke apparaat van lokaal bestuur kan versterken. De code heeft dus expliciet als doel een positieve bijdrage te leveren aan de integriteit en de kwaliteit van het lokaal bestuur.
Ook de mandataris is feilbaar en kan per ongeluk of tegen beter weten in, in de fout gaan.
Het doel van een deontologische code is in principe tweeledig:
Iedere gemeenteraad en raad voor maatschappelijk welzijn moet een deontologische code hebben. Ook de oprichting van een deontologische commissie is een verplichting geworden. De commissie kijkt toe op de naleving en de handhaving van de code.
Zij is in essentie een instrument voor de bevordering van het lerend en ‘zelfcorrigerend vermogen’ van de lokale politiek. Een goede werking van de commissie
kan de verleiding kanaliseren om vermoedens van schendingen via publieke kanalen (de pers, sociale media, tijdens de raadsvergadering) naar buiten te brengen.
De commissie biedt de mogelijkheid om het vermoeden eerst in rust en onpartijdig te onderzoeken, vooraleer een oordeel wordt geveld. Dit vraagt om terughoudendheid en vertrouwen van de lokale mandatarissen. De winst is het echter waard: individuele mandatarissen worden niet geschaad door onbewezen aantijgingen en langzaam maar zeker zal het vertrouwen van de burger in de (lokale) politiek dankzij de zorgvuldige afhandeling van vermoedens weer kunnen aansterken.
De mandatarissen passen de code toe zowel voor mandaten die rechtstreeks in verband staan met hun ambt als voor alle hieruit voortvloeiende mandaten.
Het integer handelen van de lokale mandatarissen steunt op de volgende waarden:
In de praktijk zullen deze waarden steeds opnieuw moeten afgetoetst en afgewogen worden. Niet alle situaties kunnen immers geregeld worden in de deontologische code. Belangrijk is dat deze afwegingen bewust gebeuren en in volledige openheid. Het publiek belang staat daarbij altijd voorop. Het openbaar bestuur is er vóór en namens de burgers.
Toepassingsgebied:
De deontologische code is van toepassing op:
alle zittende lokale mandatarissen, met name:
gemeenteraadsleden en leden van de raad voor maatschappelijk welzijn, hierna: leden van ‘de raad’
leden van het college van burgemeester en schepenen en het vast bureau, hierna: leden van het ‘uitvoerend orgaan’
leden van het bijzonder comité voor de sociale dienst, hierna: leden van het ‘BCSD’
hun persoonlijke medewerkers of derden handelend in opdracht van of ondersteunend aan de mandataris (de medewerkers van het lokaal bestuur uitgezonderd).
Deel II - Gedragsregels
De gedragsregels geformuleerd in deze deontologische code hebben tot doel om:
Met dit drieledige doel in het achterhoofd worden gedragsregels op de volgende thema’s geformuleerd:
Thema 1 – Voorkomen van (de schijn van) belangenvermenging en cliëntelisme
Artikel 1.1
Een lokale mandataris staat in al zijn handelen, in het besluitvormingsproces en in het contact met burgers, steeds in dienst van het algemeen belang.
Een lokale mandataris mag zijn/haar invloed en stem niet gebruiken voor het eigen persoonlijk belang. Dat mag ook niet voor het persoonlijk belang van een ander persoon of het belang van een organisatie bij wie hij/zij een directe of indirecte betrokkenheid heeft.
Artikel 1.2
Een lokale mandataris gaat actief en uit zichzelf alle vormen van belangenvermenging, en zelfs de schijn daarvan, tegen. Een lokale mandataris neemt geen deel aan de bespreking en de stemming wanneer er sprake is van een beslissing waarbij belangenvermenging speelt.
Artikel 1.3
Een lokale mandataris beseft dat mogelijke belangenvermenging niet beperkt is tot de bespreking en stemming. Daarom zorgt een lokale mandataris ervoor dat er ook geen enkele beïnvloeding is tijdens de andere fases van het besluitvormingsproces.
Artikel 1.4
Een lokale mandataris stelt bij alle contacten met de burger het algemeen belang voorop en wekt niet de schijn dat door politieke tussenkomst particuliere
belangen (kunnen) begunstigd worden (cliëntelisme).
Een lokale mandataris vervult de rol van aanspreekpunt en informatiebemiddelaar voor de burger daarom steeds op neutrale basis, zonder persoonlijke bevoordeling van een of meerdere burgers in een dossier dan wel het wekken van de schijn daarvan.
Artikel 1.5
Een lokale mandataris mag de in artikel 10 van het Decreet Lokaal Bestuur genoemde functies niet uitoefenen en de in artikel 27 §2 van het Decreet Lokaal Bestuur genoemde overeenkomsten en handelingen niet aangaan.
Thema 2 – Tegengaan van oneigenlijke beïnvloeding en de schijn ervan
Artikel 2.1
De lokale mandataris kan de burgers ondersteunen en begeleiden in hun relatie met de administratie of met de betrokken instanties. Zij kunnen de burgers helpen om, via de daartoe geëigende kanalen en procedures, een aanvraag te richten tot de overheid, informatie te verkrijgen over de stand van zaken in een dossier, daarover nadere uitleg en toelichting te vragen en vragen te stellen over de administratieve behandeling van dossiers.
Artikel 2.2
Bij de administratieve begeleiding en ondersteuning van de burgers respecteren de lokale mandatarissen de onafhankelijkheid van de diensten en van de personeelsleden, de objectiviteit van de procedures en de termijnen die als redelijk moeten worden beschouwd voor de afhandeling van soortgelijke dossiers.
Artikel 2.3
Bespoedigingstussenkomsten zijn tussenkomsten waarbij lokale mandatarissen een administratieve procedure proberen te bespoedigen in gevallen of in dossiers die zonder die tussenkomst een regelmatige afloop of resultaat zouden krijgen, maar dan na verloop van een langere verwerkings- of behandelingstermijn. Dergelijke tussenkomsten, die een ongelijke behandeling van de betrokken burgers inhouden, zijn verboden.
Artikel 2.4
Begunstigingstussenkomsten zijn tussenkomsten waarbij de lokale mandataris zijn voorspraak aanwendt om de afloop of het resultaat van een zaak of van een dossier te beïnvloeden in de door de belanghebbende burger gewenste zin. Dergelijke tussenkomsten zijn verboden.
Artikel 2.5
Tussenkomsten bij selectievoerende instanties, die tot doel hebben het verhogen van kansen op benoeming, aanstelling en bevordering in de administratie, zijn verboden.
Lokale mandatarissen die om steun gevraagd worden door of voor kandidaten die een functie, aanstelling of bevordering ambiëren, delen betrokkene mee dat de aanstelling, de benoeming of de bevordering gebeurt op basis van de geldende normen en procedures. Zij verwijzen de belanghebbende naar de personeelsdienst.
Artikel 2.6
Een lokale mandataris mag zijn invloed en stem niet laten kopen of beïnvloeden door, noch aanbieden voor geld, goederen, diensten of andere gunsten die hem gegeven of beloofd werden. Elke vorm van rechtstreekse dienstverlening, informatiebemiddeling, doorverwijzing of begeleiding gebeurt zonder enige materiële of geldelijke tegenprestatie van welke aard of omvang ook en mag geen vorm van cliëntenwerving inhouden.
Artikel 2.7
Een lokale mandataris moet actief en uit zichzelf de schijn van beïnvloeding en partijdigheid tegengaan. De mandataris doet dit door:
Uitgezonderd zijn de incidentele, kleine attenties waarbij de schijn van corruptie en beïnvloeding minimaal is én waarbij minstens aan één van de onderstaande voorwaarden voldaan wordt:
Artikel 2.8
Een lokale mandataris moet actief en uit zichzelf elke schijn van corruptie of fraude tegengaan.
Thema 3 – Zorgvuldige omgang met informatie
Artikel 3.1
De lokale mandataris respecteert het principe van de openbaarheid van bestuur.
Artikel 3.2
Het behoort tot de taken van de lokale mandataris informatie te ontvangen en te verstrekken, in het bijzonder over de manier waarop de burger zelf informatie kan opvragen in het kader van de openbaarheid van bestuur en over de diensten die instaan voor de behandeling van meldingen en klachten over het optreden of het niet-optreden van het lokaal bestuur of een andere overheid. De lokale mandatarissen verwijzen de vragensteller waar mogelijk door naar de bevoegde administratieve dienst(en).
Artikel 3.3
Een lokale mandataris heeft anderzijds een algemene discretieplicht en gaat op discrete en voorzichtige wijze om met de informatie die hem/haar toekomt in de uitoefening van het mandaat. Dit houdt onder andere in dat de mandataris:
Artikel 3.4
De lokale mandataris bewaakt het geheime karakter en de vertrouwelijkheid van informatie. Dit betekent dat de mandataris:
Artikel 3.5
Een lokale mandataris communiceert eerlijk over de redenen en motieven op basis waarvan hij/zij individueel gestemd heeft en over de motieven op basis waarvan de raad als geheel de beslissing genomen heeft.
Artikel 3.6
Lokale mandatarissen gebruiken de informatie waartoe zij toegang hebben vanuit hun ambt nooit voor het eigen belang of voor het persoonlijke of zakelijke belang van derden.
Thema 4 – Verantwoord gebruik van faciliteiten en middelen van het lokaal bestuur
Artikel 4.1
Een lokale mandataris gebruikt de voorzieningen en eigendommen van het lokaal bestuur niet voor privédoeleinden.
Artikel 4.2
Lokale mandatarissen gaan verantwoord en op een sobere wijze om met de publieke middelen en vergoedingen die tot hun beschikking staan.
Artikel 4.3
Lokale mandatarissen die gebruik maken van de onkostenvergoedingen leggen hier op een transparante wijze en volgens de afgesproken procedure verantwoording over af.
Artikel 4.4
De algemeen directeur rapporteert jaarlijks over de gedeclareerde onkostenvergoedingen aan de raad.
Thema 5 – Respectvolle omgang met anderen
Artikel 5.1
Lokale mandatarissen gaan op respectvolle wijze om met elkaar, de personeelsleden, evenals met de burgers, in woord, gebaar en geschrift.
Artikel 5.2
Lokale mandatarissen zaaien geen twijfel over elkaars integriteit. Zij erkennen en bevestigen elkaar actief in hun streven naar het dienen van het algemeen belang vanuit hun ambt, rol en politieke kleur.
Artikel 5.3
Lokale mandatarissen onthouden zich in het openbaar, dus ook in openbare raads- en commissievergaderingen, van negatieve uitlatingen over individuele mandatarissen en personeelsleden.
Artikel 5.4
Een lokale mandataris staat op dezelfde gewetensvolle manier ten dienste van alle burgers, zonder onderscheid van geslacht, geaardheid, huidskleur, afstamming, sociale stand, nationaliteit, filosofische en/of religieuze overtuiging, ideologische voorkeur of persoonlijke gevoelens.
Artikel 5.5
Bij onenigheid in de onderlinge omgang of de gang van zaken tijdens of buiten vergaderingen gaan mandatarissen, mogelijk onder begeleiding, in eerste instantie het gesprek aan met elkaar.
Deel III – Naleving, handhaving en evaluatie
1. Naleving
Deontologie is van ons allen. Het bewaken van de naleving ervan ook. Wij trachten elkaar dan ook tegen mogelijke misstappen te beschermen. We accepteren dat deontologie in de praktijk een lerende houding van allen veronderstelt.
Dit vraagt om een openheid om deontologie onderling in de raad bespreekbaar te maken.
2. Handhaving
De raad ziet erop toe dat de lokale mandatarissen volgens de deontologische code handelen. Om deze afspraken te handhaven, richt de raad een deontologische commissie op die meldingen en klachten over vermeende schendingen van de deontologische code van de raad onderzoekt en hierover een beslissing voorstelt aan de raad. De deontologische commissie kan ook advies uitbrengen over de bepalingen van de deontologische code voor lokale mandatarissen.
Er zijn verschillende fasen te onderscheiden die spelen bij het toezien op de naleving van de deontologische code, namelijk:
Wanneer een lokale mandataris twijfelt of een handeling die hij/zij wil verrichten een overtreding van de code zou kunnen zijn, wint hij hierover advies in. Dit kan zijn binnen de eigen fractie, met een collega-mandataris, met de algemeen directeur of eventueel met een externe deskundige, zoals een medewerker van de VVSG.
Wanneer een lokale mandataris twijfelt over een nog niet uitgevoerde handeling van een andere lokale mandataris, dan waarschuwt hij die persoon. De lokale mandataris verwoordt de twijfels en verwijst de betrokkene zo nodig door naar de algemeen directeur.
Vermoedens van schendingen worden niet publiek gemaakt. Heeft een mandataris een schending begaan, dan heeft de burger er recht op om hiervan te weten. Maar zolang het slechts een vermoeden betreft dat nog niet is onderzocht, dan houden we de debatten daaromtrent in een besloten context. De pers, sociale media of de raadszaal zijn niet de juiste plaatsen om vermoedens te uiten. Zo voorkomen we voorbarige beschadiging van individuen of knauwen in het vertrouwen in de politiek.
Wanneer een lokale mandataris eraan twijfelt of een regel van de deontologische code is overtreden door een andere lokale mandataris, dan kaart de mandataris dit bij voorkeur aan bij de mandataris in kwestie. Indien er goede redenen zijn om dit niet te doen, dan zal de mandataris de kwestie voorleggen aan de algemeen directeur.
Al dan niet na een gesprek, kan de mandataris overgaan tot een formele melding bij de algemeen directeur. Vanaf dit moment start het formele handhavingsproces onder mandaat van de deontologische commissie.
De raad heeft de deontologische commissie opgericht. De deontologische commissie waakt over de naleving van deze deontologische code en adviseert de raad over meldingen van inbreuken en klachten. Zij kan ook advies uitbrengen over de bepalingen in deze deontologische code.
Mandatarissen die geconfronteerd wordt met een handeling, die kennelijk in strijd is met deze deontologische code, meldt de inbreuk conform de bepalingen van het huishoudelijk reglement van de deontologische commissie schriftelijk binnen de 30 kalenderdagen aan de algemeen directeur. Anonieme klachten zijn niet ontvankelijk.
Burgers of derden die een klacht willen indienen, verwijzen we door naar de daarvoor bestemde klachtenprocedure.
De algemeen directeur brengt iedere klacht onmiddellijk ter kennis van de voorzitter van de deontologische commissie en van de mandataris waartegen de klacht werd ingediend. De voorzitter van de deontologische commissie roept de commissie samen.
Ook een vermeend schender heeft er recht op met zorg te worden behandeld.
Binnen de procedure zelf wordt er zorg voor gedragen dat de vermeende schender zich goed kan verdedigen.
Wanneer er na vooronderzoek door de deontologische commissie een concreet vermoeden bestaat dat een lokale mandataris een regel van de deontologische code heeft overtreden, kan opdracht gegeven worden tot het verrichten van een uitgebreid onderzoek hiernaar.
De deontologische commissie stelt een verslag op waarin wordt geadviseerd om al dan niet over te gaan tot de uitspraak van een sanctie ten laste van de mandataris.
Het verslag wordt voorgelegd aan het bevoegde orgaan tijdens de eerstvolgende zitting, rekening houdend met de oproepingstermijnen. De betrokken mandataris wordt hiervan schriftelijk in kennis gesteld. Het bevoegde orgaan is de gemeenteraad of de raad voor maatschappelijk welzijn, afhankelijk van welke organisatie de mandataris, waartegen een klacht is neergelegd, deel uitmaakt.
Het bevoegde orgaan doet in besloten zitting bij geheime stemming uitspraak over het al dan niet uitspreken van een sanctie, met name:
3. Evaluatie
Minimaal één keer per bestuursperiode evalueert de raad deze deontologische code. De raad vraagt daarvoor advies aan de deontologische commissie. Daarbij wordt onder meer nagegaan of de code nog actueel is, of ze nog goed werkt en of ze nageleefd wordt. Enkel de raad is bevoegd om wijzigingen aan de deontologische code goed te keuren.
Artikel 2 - Elke mandataris ontvangt een digitale versie of op aanvraag een schriftelijke versie van de deontologische code.