De deontologische code voor lokale mandatarissen voorziet in de noodzaak van de vaststelling door de gemeenteraad van een huishoudelijk reglement voor de deontologische
commissie waarin de praktische afspraken over het functioneren van de commissie worden vastgelegd.
Het decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017, artikel 39 en 40
Het gemeenteraadsbesluit van 28 oktober 2025 houdende oprichting van een deontologische commissie
Het gemeenteraadsbesluit van 23 december 2025 houdende deontologische code voor lokale mandatarissen
De gemeenteraad ziet erop toe dat de fracties en de individuele lokale mandatarissen volgens de deontologische code handelen.
Deontologie gaat over het betamelijk handelen van mandatarissen. In de basis zijn alle mandatarissen het erover eens dat zij deontologisch correct dienen te handelen. De mandatarissen beloven zich om deze reden aan de gezamenlijke opdracht te houden om de deontologie op een zorgvuldige wijze te bewaken, zodat collega’s niet onnodig worden beschadigd en het vertrouwen in het lokaal bestuur geen (onnodige) schade wordt berokkend.
Alle mandatarissen passen de volgende vier principes toe bij de naleving en handhaving van de code:
1. Naleving van de code is een gezamenlijke opdracht.
Deontologie is van ons allen. Het bewaken van de naleving ervan ook. Wij trachten elkaar dan ook tegen mogelijke misstappen te beschermen. We accepteren dat deontologie in de praktijk een lerende houding van allen veronderstelt. Dit vraagt om een openheid om deontologie onderling in de gemeenteraad bespreekbaar te maken.
2. De handhaving is onpartijdig.
Alle partijen en mandatarissen onderschrijven de deontologische code. We voeren daarom geen partijpolitiek op deontologie.
3. Vermoedens van schendingen worden niet publiek gemaakt.
Heeft een mandataris een schending begaan, dan heeft de burger er recht op om hiervan te weten. Maar zolang het slechts een vermoeden betreft dat nog niet is onderzocht, dan houden we het buiten de publiciteit. De pers, sociale media of de raadszaal zijn niet de juiste plaatsen om vermoedens te uiten. Zo voorkomen we voorbarige beschadiging van individuen, nieuwe knauwen uit het vertrouwen in de politiek en een verzuurde verhouding in de raad.
4. De vermeende schender wordt met zorg behandeld.
Ook een vermeende schender heeft er recht op met zorg te worden behandeld. Dit gaat deels over hetgeen in de vorige principes werd uitgewerkt. Maar het vraagt ook een vlotte afhandeling van de procedure met een heldere einduitspraak. Binnen de procedure zelf wordt er zorg voor gedragen dat de vermeende schender zich goed kan verdedigen.
De decreetgever verplicht de oprichting van een deontologische commissie. Tegelijkertijd laat hij veel ruimte voor eigen invulling voor wat betreft samenstelling, bevoegdheid en werking. De onderstaande uitwerking van de deontologische commissie is ons inziens de meest passende, indien de bovenstaande vier principes ter harte worden genomen.
De deontologische code en het huishoudelijk reglement van de deontologische commissie zijn gebaseerd op de inspiratie-deontologische code voor lokale mandatarissen van de VVSG van 8 januari 2025.
Artikel 1 - De gemeenteraad stelt het huishoudelijk reglement van de deontologische commissie als volgt vast:
HUISHOUDELIJK REGLEMENT DEONTOLOGISCHE COMMISSIE
HOOFDSTUK I – ALGEMENE BEPALINGEN OVER DE DEONTOLOGISCHE COMMISSIE
Artikel 1 – Opdracht en bevoegdheid
De deontologische commissie oefent de opdracht uit die haar toegekend is door de deontologische code voor lokale mandatarissen, zoals vastgesteld door de gemeenteraad en de raad voor maatschappelijk welzijn (verder: ‘de raad’).
Tot haar bevoegdheden behoren:
Artikel 2 – Samenstelling
De commissie bestaat uit 9 leden (inclusief de voorzitter). De raadsleden en hun plaatsvervangers worden aangewezen door de raad.
Indien een effectief lid niet aanwezig kan zijn, wordt het lid in voorkomend geval vervangen door de door de gemeenteraad aangewezen plaatsvervanger.
De vergaderingen van de commissie zijn besloten en vallen onder een strikte geheimhouding. Alleen de aldus aangewezen vertegenwoordigers of hun plaatsvervangers wonen de vergaderingen van de deontologische commissie bij.
Wanneer een lid van de commissie betrokken partij is, hetzij als klager, hetzij als beklaagde, kan hij of zij niet zetelen als lid van de deontologische commissie tijdens de behandeling van het betrokken dossier. Hij of zij wordt dan vervangen door zijn/haar plaatsvervanger. Leden van de deontologische commissie mogen niet als raadsman/raadsvrouw optreden in zaken die aan het advies van de deontologische commissie onderworpen zijn.
De commissie kan zich laten bijstaan door personeelsleden van het lokaal bestuur en externe experts, die de vergaderingen kunnen bijwonen.
De secretaris van de commissie is de algemeen directeur, of een personeelslid door de algemeen directeur aangeduid.
Er wordt geen presentiegeld toegekend aan de leden van een deontologische commissie.
Artikel 3 – Opdracht van de voorzitter
De voorzitter stelt de agenda van de vergaderingen vast, bereidt die voor samen met de secretaris en nodigt de leden uit.
De voorzitter zorgt voor een vlot verloop van de vergaderingen:
Eventuele communicatie vanuit de deontologische commissie vindt altijd en alleen plaats via de voorzitter van de commissie.
Artikel 4 – Bijeenroeping
De voorzitter roept de commissie samen binnen een termijn van dertig kalenderdagen na ontvangst van de klacht of melding.
De voorzitter roept de commissie samen binnen een termijn van tien kalenderdagen indien hiertoe wordt verzocht door twee derden van de leden van de deontologische commissie. Dit verzoek bevat een voorstel van agenda dat aan de commissie wordt voorgelegd.
De oproeping wordt ten minste acht kalenderdagen vóór de dag van de vergadering aan de leden van de commissie bezorgd.
De oproepingsbrief vermeldt de plaats, datum en uur, agenda en de toelichting met beschikbare stukken en wordt verzonden via e-mail.
De werkzaamheden van de commissie vinden in beginsel in het administratief huis plaats, tenzij de commissie hierover anders beslist.
Artikel 5 – Vergaderingen
De deontologische commissie kan op rechtsgeldige wijze vergaderen indien de meerderheid van haar leden aanwezig is. Indien na een eerste samenroeping het quorum niet is bereikt, kan de deontologische commissie na een tweede samenroeping rechtsgeldig vergaderen en beslissen, ongeacht het aantal aanwezige leden.
De vergaderingen van de deontologische commissie zijn besloten. De leden van de deontologische commissie zijn gehouden tot geheimhouding.
De vergaderingen van de deontologische commissie zijn openbaar indien de lokale mandataris over wie een klacht of melding is geformuleerd, de openbare behandeling van zijn of haar zaak vraagt.
De beraadslagingen van de deontologische commissie zijn altijd geheim.
Artikel 6 – Adviezen van de commissie
De commissie streeft in haar oordeel naar unanimiteit. Indien nodig wordt een advies bij geheime stemming geformuleerd bij volstrekte meerderheid van stemmen (de helft+1) van de leden die de beraadslagingen van een zaak hebben bijgewoond. Onthoudingen en blanco stemmen tellen niet mee om het aantal geldig uitgebrachte stemmen te bepalen.
De voorzitter van de commissie heeft geen stemrecht in de deontologische commissie, behalve wanneer de commissie gelijk verdeeld is in haar oordeel bij staking van stemmen. Dan heeft de voorzitter de doorslaggevende stem.
Bij de motivering van de beslissing kan een afwijkend standpunt van een of meerdere leden, al dan niet geanonimiseerd, opgenomen worden.
De deontologische commissie kan beslissen om meldingen of klachten hetzij onontvankelijk of ontvankelijk, ongegrond of gegrond te verklaren.
De beslissing van de deontologische commissie wordt ondertekend door de voorzitter van de deontologische commissie en de secretaris.
Artikel 7 – Verslaggeving
De secretaris van de commissie maakt een verslag op over de beraadslagingen van de commissie.
Dit verslag vermeldt de aanwezigheid van de leden gedurende de vergadering en geeft een weerslag van de beraadslagingen. Op verzoek van de leden worden de namen van de sprekers niet vermeld.
Het beknopt verslag wordt binnen tien kalenderdagen door de secretaris aan de commissieleden bezorgd. Deze kunnen uiterlijk binnen de vijf kalenderdagen hun opmerkingen schriftelijk melden aan de secretaris en de voorzitter.
Zonder tijdige meldingen wordt het verslag als goedgekeurd beschouwd. In het geval er wel opmerkingen zijn, wordt dit verslag opnieuw ter goedkeuring rondgestuurd. Indien er geen reactie is binnen de nieuwe termijn van vijf kalenderdagen wordt het verslag als definitief goedgekeurd beschouwd.
Het beknopt verslag is een vertrouwelijk document dat als dusdanig moet worden behandeld.
Artikel 8 – Bekendmaking van de adviezen van de commissie
Een advies van de deontologische commissie is vertrouwelijk en dient als dusdanig te worden behandeld.
Een gemotiveerd advies van de deontologische commissie over een melding of klacht enkel bezorgd aan:
De voorzitter van de raad neemt het initiatief om het advies van de deontologische commissie op de eerstvolgende raad, met respect voor decretaal bepaalde oproepingstermijnen, te agenderen.
HOOFDSTUK II – PROCEDURE MELDINGEN EN KLACHTEN
Artikel 9
Meldingen of klachten moeten schriftelijk worden ingediend bij de algemeen directeur en de voorzitter van de deontologische commissie. Indien meldingen of klachten bij andere bestuursinstanties worden ingediend, worden ze onverwijld overgemaakt aan de algemeen directeur en de voorzitter van de deontologische commissie.
Wanneer de algemeen directeur zelf betrokken is bij een melding of klacht, dan wel om legitieme redenen geen rol kan spelen in het proces, zal deze worden vervangen door het daartoe aangewezen personeelslid.
Wanneer de voorzitter van de deontologische commissie zelf betrokken is bij een melding of klacht, dan wel om legitieme redenen geen rol kan spelen in het proces, zal deze worden vervangen door de aangewezen plaatsvervanger.
Het vooronderzoek kan indien noodzakelijk ook extern worden gevoerd.
De meldingen of klachten bevatten minimaal de volgende informatie:
Artikel 10
De algemeen directeur stelt onverwijld de voorzitter van de deontologische commissie, de voorzitter van de raad in kennis van de melding of klacht.
Aan elke melding of klacht wordt een uniek dossiernummer toegekend.
Artikel 11
De deontologische commissie mandateert de algemeen directeur om een ontvankelijkheidstoets uit te voeren. De algemeen directeur kan daarin bijgestaan worden door interne en/of externe experten.
Anonieme meldingen en klachten worden door de algemeen directeur ambtshalve onontvankelijk verklaard en gearchiveerd, de voorzitter van de deontologische commissie wordt hiervan per mail op de hoogte gebracht.
Om de ontvankelijkheid te onderzoeken zal altijd een gesprek plaatsvinden met de melder. Een melding is ontvankelijk wanneer aan alle volgende voorwaarden is voldaan:
Iedere melding wordt vertrouwelijk behandeld. In deze fase is de naam van de melder en degene over wie de melding gaat slechts bekend bij de leden van de deontologische commissie en bij de eventueel door de algemeen directeur aangestelde experten.
Een melder kan een melding of klacht ook zelf intrekken. Wanneer uitdrukkelijk wordt afgezien van de klacht of de melding, neemt de deontologische commissie akte van de afstand en geeft definitief geen gevolg meer aan de zaak van deze klager of melder. De feiten kunnen evenwel later nog steeds het voorwerp uitmaken van een nieuwe klacht of melding.
Artikel 12
De algemeen directeur formuleert een ontvankelijkheidsadvies en stuurt dit, inclusief de onderliggende stukken die deel uitmaken van het advies, aan de leden van de commissie ter beoordeling in een eerste bijeenkomst.
Wanneer een melding of klacht als niet-ontvankelijk wordt beoordeeld door de deontologische commissie, betekent dit meteen het einde van de formele procedure. De melder wordt hierover schriftelijk geïnformeerd door de voorzitter, in naam van de deontologische commissie.
Wanneer een melding of klacht als ontvankelijk wordt beoordeeld door de deontologische commissie, neemt de algemeen directeur de onderzoeksvraag op in het advies aan de deontologische commissie.
Artikel 13
Bij een ontvankelijke melding kan de deontologische commissie de algemeen directeur, het mandaat geven om een vooronderzoek te voeren. De algemeen directeur kan zich hierbij door interne en/of externe experten bij laten staan.
De vermeende schender wordt schriftelijk op de hoogte gesteld van het vooronderzoek door de algemeen directeur, behalve wanneer de commissie acht dat dit het vooronderzoek kan schaden. De vermeende schender wordt erop gewezen dat deze zich,tijdens het proces mag laten bijstaan door een raadspersoon naar keuze.
De commissie bepaalt waaruit het vooronderzoek zal bestaan. Het vooronderzoek bestaat in ieder geval uit:
Artikel 14
De algemeen directeur brengt schriftelijk advies uit aan de deontologische commissie op basis van het vooronderzoek.
Het ontwerpadvies wordt eerst ter lezing voorgelegd aan de voorzitter van de commissie.
Vervolgens wordt het ontwerpadvies ter inzage voorgelegd aan de vermeende schender, zodat deze de kans heeft schriftelijke opmerkingen te formuleren bij het conceptadvies. Deze opmerkingen worden als bijlage toegevoegd aan het schriftelijk advies aan de commissie.
Het advies van de algemeen directeur, waarover de deontologische commissie beraadslaagt, beslaat in principe vijf mogelijke scenario’s waarop de commissie zich zal richten:
1. Er zijn geen gronden gevonden voor een verder onderzoek of oordeel, of de melding betreft een dusdanige milde vorm van een schending dat ze afgedaan kan worden met het individueel aanspreken van de vermeende schender.
2. De vermeende schender heeft de schending erkend, zodat verder onderzoek door de commissie niet nodig is. De commissie wordt geadviseerd het dossier formeel af te sluiten en te komen tot een inschatting van de ernst van de schending.
3. Er zijn voldoende gronden om te spreken van een deontologische schending. De deontologische commissie wordt geadviseerd om tot een eigen toetsing van de schending te komen en een inschatting te maken van de ernst.
4. Er zijn voldoende gronden om te spreken van een deontologische schending. Er is echter nood aan verder onderzoek. De commissie wordt geadviseerd over de onderzoeksvraag, wie het onderzoek zou moeten opstarten/uitvoeren (de Vlaamse Regering/de provinciegouverneur, Audit Vlaanderen, een integriteitsspecialist, …) en wat de termijnen zijn.
5. Er is een gegrond vermoeden van een strafrechtelijk vervolgbaar feit. De deontologische commissie wordt geadviseerd om de melding te laten neerleggen bij politie of parket.
Artikel 15
De deontologische commissie oordeelt op basis van het advies van de algemeen directeur over de te nemen vervolgstappen.
De melder en de vermeende schender hebben het recht om in deze fase te worden gehoord door de deontologische commissie. Voor beiden geldt dat zij zich in deze kunnen laten bijstaan door een raadspersoon. Geen van de partijen is verplicht zich te laten horen.
De voorzitter zendt de lokale mandataris een afschrift van de klacht of melding en alle bijhorende stukken.
De voorzitter geeft de betrokken partijen, zijnde de melder of klager en de lokale mandataris, kennis van de plaats, dag en uur van de zitting. Hij deelt hen mee dat ze zullen gehoord worden, desgevallend in aanwezigheid van hun raadslieden over de ontvankelijkheid van de melding of klacht. Het verslag van het horen van de partijen ter getekend door de voorzitter, de secretaris en de gehoorde partijen.
De partijen kunnen de deontologische commissie verzoeken getuigen op te roepen. In geval van getuigenverhoor ter zitting van de deontologische commissie worden de partijen en desgevallend hun raadslieden opgeroepen. Ook de getuige kan zich laten bijstaan. Het verslag van het horen van de getuige(n) ter zitting wordt getekend door de voorzitter, de secretaris en de gehoorde getuige(n).
De voorzitter deelt de lokale mandataris mee dat deze voor de aanvang van de zitting schriftelijk kan meedelen dat hij of zij de zaak in openbare vergadering wil laten behandelen.
Artikel 16
Na het bestuderen van het advies van de algemeen directeur en het horen van de betrokkenen bespreekt de commissie het vermoeden van schending en wordt een gemotiveerd advies. Hiervan wordt een proces-verbaal opgemaakt en getekend door de voorzitter van de commissie en de secretaris. Dit wordt overgemaakt aan de voorzitter van de raad binnen de 30 kalenderdagen voor behandeling op de raad.
Indien de deontologische commissie een schending heeft vastgesteld – omdat de schender deze heeft toegegeven of omdat ze uit het onderzoek is gebleken – dan neemt ze in haar advies ook de meest passende, proportionele vorm van afhandeling op, inclusief een beschrijving van de verzwarende en verzachtende omstandigheden bij het voorstel van afhandeling.
De wijze van communiceren vanuit de raad over de voorliggende zaak is onderdeel van het advies van de deontologische commissie.
Artikel 17
De raad beoordeelt of een mandataris een schending heeft begaan. Hij doet dit op basis van het gemotiveerd advies van de deontologische commissie.
Als de raad beslist om af te wijken van het advies, dan moet de vermeende schender de kans krijgen om zich tijdens de besloten zitting van de raad uit te spreken over de beslissing.
Wanneer de raad vaststelt dat de deontologische code geschonden werd door een mandataris, dan kan de raad:
HOOFDSTUK III– PROCEDURE ADVIEZEN
Artikel 18
De deontologische commissie kan op eigen initiatief of op verzoek advies uitbrengen over de deontologische code en de toepassing ervan. Binnen de dertig kalenderdagen na een verzoek wordt de deontologische commissie samengeroepen.
Artikel 19
De deontologische commissie kan een verzoek tot advies herformuleren.
Het advies heeft enkel betrekking op de deontologische code voor lokale mandatarissen, zoals goedgekeurd in de raad en de toepassing ervan.
De adviezen zijn richtinggevend en niet bindend en gelden alleen binnen de perken van het verzoek om advies.
De adviezen binden de deontologische commissie niet bij de behandeling van meldingen en klachten.
De deontologische commissie formuleert een advies binnen de dertig dagen nadat de adviesvraag geagendeerd werd op de deontologische commissie. De termijn kan desgevallend verlengd worden op vraag van de deontologische commissie.
Artikel 20
Het advies wordt meegedeeld aan de voorzitter van de raad en desgevallend aan de voorzitter van het college van burgemeester en schepenen/vast bureau.
De voorzitter van de raad kan eventueel een debat organiseren over het advies dat de deontologische commissie op eigen initiatief, op vraag of naar aanleiding van een beslissing over een melding/klacht, heeft geformuleerd.
HOOFDSTUK IV – SLOTBBEPALINGEN
Artikel 21
De termijnen zoals bepaald voor meldingen, klachten en adviezen kunnen worden geschorst tijdens de maanden juli en augustus.
Artikel 22
Alle leden van de deontologische commissie zijn gehouden aan discretie een absolute geheimhouding en mogen de geheimen van de onderzoeken en de beraadslagingen niet schenden. Ze zijn drager van het beroepsgeheim. Bij schending van dit beroepsgeheim stellen ze zich bloot aan vervolgingen overeenkomstig artikel 458 van het Strafwetboek.
Artikel 23
Indien de voorzitter van de deontologische commissie in de uitoefening van zijn functie kennis krijgt van een misdaad of een wanbedrijf, kan hij hierover rechtstreeks de procureur des konings berichten overeenkomstig artikel 29 van het wetboek van Strafvordering.
Artikel 2 - Elke mandataris ontvangt een digitale versie of op aanvraag een schriftelijke versie van het huishoudelijk reglement.
De gemeenteraad stelt het huishoudelijk reglement van de deontologische commissie vast.